Bij de verjaring van de juffer Helena van Dam

 

De blijdste dag van alle dagen,
Waarvan een ieder moet gewagen,
Brak aan tot onzer aller vreugd.
'T is Leen's verjaardag, wees verheugd!

Die Leen, waarmeź mijn broeder vrijt;
Die Leen, die allerbeste meid;
Die Leen met mooije blonde haaren,
Die Leen, juicht, menschdom, mogt verjaren.

En zulk een' Leen is toch wel waard,
Dat moeit' nog arbeid word' gespaard,
Om haar wat honig om de mond te smeeren:
(Of meer gracieus te feel'citeeren.)

Dus wensch ik, o aanstaande broeders vrouw,
Dat gij niet krijgt van 't vrijen eens berouw,
Maar dat gij spoedig moogt gaan trouwen;
En mij dan ook verzoekt om bruiloft meź te houen.

Dat deze dag nog dikwijls aan mag breken,
(Waarbij ik er natuurlijk dan op reken,
Dat wij ook advocatenborrel drinken,
En vrolijk op UE's gezondheid klinken.)

Dat gij tot spijt van 't heele juff'renheer.
Gedurig wint aan vleesch, en spek, en smeer;
En dat gij steeds in elke tijd,
Blijft, wat gij zijt, een' beste meid.

En daarmeź eindigt nu, gelijk gij ziet,
Mijn hartverscheurend, dieptoucherend lied;
Geen grooter loon kan ik er voor ontvangen,
Dan dat een stille traan rol langs de bolle wangen.

 
Terug naar het overzicht