Gedichten van F. HaverSchmidt
De bleke jongeling
Immortellen (1850 - 1852)
Immortelle I (De maan glijdt langs de ruiten)
Immortelle III (Waarom ik in de loome nachten)
Immortelle IX (Op 't hoekje van de Hooigracht)
Immortelle XXV (Hoor ik op Sempre een waldhoorn)
Immortelle XVI (Zijn goudblonde lokken en knevel)
Immortelle XXXIII (Mijn hart was toegevroren)
Immortelle XLIX (Wel menigmaal zei de melkboer)
Immortelle LX (Toen knaap mij de laatste maal knipte)
Immortelle LXXII (Wij zaten met ons vieren)
Immortelle LXXXIII (Hem, die mij grof beledigt)
Immortelle LXXXIV (O, spreek mij niet van liefde)
Immortelle XCVI (Als ik een bidder zie lopen)
Immortelle C (Zoals ik eenmaal beminde)
Tijgerlelies (1851 - 1853)
Aan Betsy
Aan Rika
Aan Jacoba
Aan Hedwig
Romancen
Liefdewraak
Des zangers min
De zelfmoordenaar
De Friesche poeet
Jan van Zutphen's afscheidsmaal
Drie studentjes
Uit de Nagelaten Snikken
Frits en Kee
Sopnnet aan Janus Sand (niet af)
Dat Heertje met zijn witte das
Het geheim
Poezie
Reunie
Donkersteeg no 12
Barend Krul
De dichter
Wie zit daar op die vieze bank
De kies
De verjaardag van juffer Helena van Dam
Vaarwel aan Hallum
Al ben ik oud, en stijf en stram van leden
O neem mij mee
Sinterklaasgedichten
Weldra wordt gij vijftien
Misschien, mijn jongen komt eens de tijd
Met genoegen heb ik opgemorken
Romance
Een jongeling met een staand halsboord
Adam en Eva